In ‘De Kiem’ gesmoord.

Het is 10:23u. Ik ben net opgestaan, dronk een fris glas cola light, rookte een sigaretje en zit nu met een kom muesli aan mijn laptop . Bij deze ook een *applausje voor mezelf* voor de goede gewoonte die ‘ontbijten’ heet en die ik mezelf weer heb aangekweekt daar in Groot Hertogdom Gavere. – Gavere begot, een nog-meer-van-de-landkaart-gevallen-gemeente dan Zutendaal.- Maar soit, ik zit hier dus. Internet, Facebook én GSM binnen handbereik, en ik realiseer me wat voor een luxepaard ik ben. Of een luxepony (is net dat beetje schattiger). Ik blik terug op de afgelopen periode en laat me meevoeren in de rollercoaster van emoties die het ‘terugdenken aan’ met zich meebrengen. Ik denk terug aan mijn angst om me voor een -voor mij bijna onvoorstelbaar lange- periode te mengen tussen 28 vreemden, me te voegen naar regels waar ik niet voor gekozen heb, Assepoester te zijn (en de staf was ‘de boze stiefmoeder 🙂 ). Ik denk terug aan de angst voor de eenzaamheid, angst voor het gemis aan connectie terwijl ik het in deze periode zo nodig heb. Ik denk terug aan het ‘Hallelujah, praise the Lord’-moment toen op dag 4 mijn cola light binnengedragen werd die ik met mijn 13 euro (I kid you not!) zakgeld had besteld, en aan het gevoel van gelukzaligheid bij het nemen van die eerste slok, na 19u(30), want pas dàn mag frisdrank. Ik denk terug aan de vele keren dat ik werd aangesproken op het feit dat ik mijn stoel niet terug onder tafel schoof als ik 2 seconden moest opstaan (en de inwendige #zucht die daar steevast op volgde). Ik denk terug aan het gevoel van afkicken – van cola light, Facebook en van een sigaret ‘just because I can’, en respect overvalt me. Dat zelfde respect zoals ik daar zo vaak heb gevoeld voor al die 28 mensen die er voor kiezen, elke dag van hun verblijf daar opnieuw, om hun leven drastisch te wijzigen. Mensen die controle afgeven om controle over hun eigen leven terug te krijgen. Mensen die dag in dag uit vechten met en tegen zichzelf en hun verslaving. Individuen die zichzelf (opnieuw) leren kennen, hun kleine kantjes en hun grote talenten.

Ik voel bewondering en ik ben trots op ‘mijn’ medebewoners. Want die 12 dagen in afzondering waren vooral ook 12 dagen in ‘verbinding’. Stoer als ik ben (correctie: zou willen zijn) had ik me voorgenomen om me niet te hechten en me niet al te kwetsbaar op te stellen. Helaas besliste mijn ‘zwakke leguum’-kantje daar anders over. Mijn bewoners‘meter’ is cum laude geslaagd in haar rol. In De Kiem was zij De Spiegel (dit mopje wordt mogelijks enkel door insiders begrepen, maar ik kon ‘m niet laten liggen) voor mij. Al pratende ontdekten we parallellen die ons verbonden, en verschillen die zelfs voor nog meer verbinding zorgden. Maar niet enkel zij wist me te raken. De verhalen die men besliste te delen kropen onder mijn huid, en daar zitten ze nu nog – zich uitend in de vorm van kippenvel. Die verhalen maken mijn gevoel van bewondering en respect voor de keuze van de bewoners enkel nog groter. Mensen die door anderen niet het gevoel gehad hebben dat ze het waard waren om van gehouden te worden en van hieruit ook zichzelf niet graag zien. Mensen die kiezen voor troost in een middel om even van alle miserie verlost te zijn. Verlost van emotionele pijn. Van denken aan schulden. Van schuldgevoel. Van schaamte. Mensen die (emotioneel) overleefden ‘dankzij’ drugs, terwijl ze ze vanbinnen en vanbuiten stierven. Maar dit wordt geen verhaal van drama, dit wordt een verhaal van hoop. Want zij kiezen voor verandering, de ene dag al met wat meer overtuiging dan de andere – maar heeft dat niet ieder van ons? Ik zou ook niet elke dag vrolijk worden van opstaan om 6u30, van een gelimiteerd aantal sigaretten (en mijn god, wat kan dat deugd doen als ge u bagger voelt!), van voortdurend werken (koken, was en strijk, poetsen, dagschema’s maken, dingen doen in ‘tuin en daarbuiten’). Elke dag opnieuw. Ook op dagen dat je liever in bed blijft liggen of in pyjama op de bank wilt hangen, duffe series kijkend, omdat je een baaldag hebt – of als je ziek bent. Ik kan me ook leukere dingen voorstellen dan confrontaties met jezelf, met en door anderen. Elke dag opnieuw. Er zijn ‘gavere’ (haha) dingen om te doen dan te werken met ‘oud zeer’ en met pijn in het hier-en-nu, en toffere dingen dan op een forse manier aangesproken worden op je gedrag, en in plaats van de bijhorende ‘f**k you’-vinger braaf moeten luisteren om nadien beheerst weg te wandelen en er 24 uur met niemand over te praten. Maar het heeft nut, en het heeft zijn nut al bewezen. Ik hoorde verhalen van hoop ‘goh, als je mij, hem of haar nu ziet, en je zag ‘m bij binnenkomst… een heel ander mens! Een TG is een verschillende wereld die een wereld van verschil kan maken. Een speciale methodiek voor het hardnekkig probleem dat verslaving heet.

Ik zit hier ondertussen, 2 glazen cola, 5 sigaretten, een wandeling (because I can), poetsen mét tussenpauzes (om het half uur, ruw geschat) en boodschappen voor 30 euro later, om 14u49 dit verhaal af te ronden. Ik denk aan hen, mijn medebewoners, die nu de groentjes aan het snijden zijn of de ‘moppentrommel’ aan het ledigen. Over een dik uur mogen jullie één sigaretje roken. Over 2 uur kunnen jullie als wolven het buffet aanvallen en genieten van een overheerlijke (al dan niet beschimmelde) boterham met kaas (en als je écht rebels wilt zijn dan doe je er confituur op! Wees snel, want de aardbeienjam vliegt erdoor !! En denk eraan: niet té veel groentjes eh!) Over 4 uur begint jullie vrije avond. Misschien heeft iemand het geluk om een vriend/familielid 10 minuutjes te horen, anderen zullen vooral snoepen, roken en hopelijk ook grapjes maken die wel door de beugel kunnen (ik zal mijn ‘zit’ nooit vergeten 😉 ). En er is ‘Het Journaal’ uiteraard.

Lieve Kiemers, ik zal kijken, 13 september, naar jullie uitzending van Radio Gaga. En ik zal genieten, van die bekende gezichten waarachter ik sommige verhalen ken. Ik zal vol trots en met kippenvel kijken. Onder het genot van een glaasje cola, een sigaretje en magere yoghurt (ondanks geen dieet).

Maar voor nu ga ik dit schrijfsel afsluiten, opstaan, en mijn stoel netjes weer onder tafel schuiven.

En ik doe een kreetje: “Door vriendschap wordt verdriet gedeeld en geluk verdubbeld”. JA! JA! JA!

( https://www.youtube.com/watch?v=IRIe_S_-DRA )

Advertenties

Merci, mannen! – Over datums en herinneringen (irritant!)

“Ongelooflijk wat gij allemaal onthoudt”, dixit mijn familie en sommige vrienden. “Wat een gave”. In mezelf wens ik dan soms dat ik een goudvis was. Of zwakbegaafd. Of dat ik misschien acute opstootjes zou hebben van alzheimer. Helaas heeft mijn genetische samenstelling in combinatie met mijn persoonlijkheid er voor gezorgd dat ik enigszins autistische trekjes vertoon. Niet dat ik alle uren van een trein onthoud, maar wel datums. Ik voel me Rain man, op mijn manier. Rain woman. Elke datum is gelinkt aan een man. Elke man is gelinkt aan een lied. Zie hier, mijn playlist. (mijn God, dat klinkt fout!) Hommage klinkt misschien beter… Homme-age. De mannen doorheen mijn leven.

Way back, in 1999, was er Grote Liefde nummer 1. Ik was (bijna?) bakvis-af, de puisten verdwenen stilaan – hoewel ik gespaard bleef van een maanlandschap met kraters – , en een ‘ijzerwinkel’ had ik gelukkig niet. I was 16, going on 17. Wanhopig verlangend om geliefd te worden, dromend van romantiek, zoals in Dawson’s Creek. Was ik maar zo knap als Joey Potter. Zucht

Hij was even oud. Donker haar, donkere ogen (net even gefacebooked). Half Italiaans. Met een brommer!! (I know, Wat. Een. Vangst.) Hij was geen Johnny (zeer belangrijk criterium in die tijd). Zijn boxershort van The Simpsons (of was het nu South Park) stak stylish boven zijn brede broek uit. Na zijn overlijden verdient hij postuum een award voor niet struikelen met een tent met een rits in. Jani krijgt mogelijks een hartverzakking van de kledingstijl(misschien dat de geruite hemdjes wat verlichting bieden) maar voor mij was dit zonder twijfel *HUNK-ALARM*.

16 mei zal ik altijd aan hem denken (en misschien ook een beetje aan de gouden tijden van KRC Genk toen ze de beker wonnen. Of speelden ze kampioen? *te lui om te googlen*) Ik ging die dag in ‘99, als échte meeloper (#bekentenis, want ik ken geen ‘bal’ van die sport), gewapend met blauw-witte sjaal (#‘ik-hoor-erbij’), gekleed in een trui van de Large (#Hipster ) vieren in Café Met Melk Gewoon ‘Melk’ voor de vrienden. De eerste kus op het muurke van de kerk van Genk (toen nog geen ‘shtad’, geloof ik), en het was (samen met ettelijke glazen bier) beklonken.

Mijn Italiaan, hij die in een pizzeria schaamteloos friet biefstuk bestelde (tijdens een verrassingsetentje voor mijn verjaardag – inclusief 1 rode roos #smelt), hij met wie ik ging ‘wandelen’ aan de Molenvijvers (*wink wink* #onsmoederleestmee), hij, mijn (Pukkelpop-)partner.

Elk jaar opnieuw draai ik May 16 van Lagwagon. (Toevallig weet ik dat het dit jaar op een dinsdag valt. Graag gedaan, trouwens.) Het heeft lang geduurd, omdat de breuk zoveel pijn deed, maar nu denk ik met een glimlach – en met weemoed naar mijn rimpelloze gelaat en onderarmen die nog geen eigen leven leidden als ik zwaaide – terug aan de jongen met wie ik dacht oud te zullen worden en van wie ik rosse kinderen zou baren (blond + zwart = ros – toegegeven, dat was efkes schrikken). Ik denk aan de eerste keer dat ik, na een dagje Maastricht, bij zijn ouders ging eten en biefstuk-saus op mijn (even brede) broek knoeide. Ik denk aan hoe hij, met sigaret in de mond, stond te poolen en zijn blik naar mij maakte me week in de knieën (Het had iets James Dean-achtig). Ik denk aan zijn passie voor horrorfilms en punkrock, aan zijn oprechte verbazing dat ik naar Liquido ging kijken op Pukkelpop terwijl er zo een vette punkrockband was aan de skate-stage kwam (achteraf gezien had hij mogelijks gelijk, ‘Narcotic’ heeft nog nooit zo vals geklonken als die middag op de wei). Ik denk elk jaar aan zijn verjaardag – zonder facebookreminder. Ik denk aan kerstdag 1999. Ik weet nog precies wat ik aan had. En wat ik toen ook uit deed :-D. Ik denk aan hoe we samen het nieuwe millenium ingingen. Ik denk aan de mooie momenten, en aan de stressvolle dagen. Zoals die ene dag, begin 2000. Het was zaterdag 5 februari. In paniek belden we met elkaar (nog met de thuistelefoon, want een gsm hadden we nog niet – dus hopen dat moeder of vader P. niet zou opnemen)Of ik toch niet beter de morning-after pil zou gaan halen. Hij stelde me gerust maar kwam me meteen halen – het was koud, en in alle haast had hij zijn handschoenen vergeten – (ideaal excuus om handjes vast te houden!)We reden met zijn brommer (was het nu eigenlijk een camino? )naar Hoevenzavel, waar de Griekse dokter van wacht, met zijn belerende vinder toch wel duidelijk maakte ‘dat we in het vervolg toch voorzichtiger moesten zijn’. 1000 Bfr armer kwamen we buiten. Hij zou me de helft teruggeven als hij zakgeld kreeg.

Bedankt, A., voor de vies affe tijden, in en rond de shopping, in Melk, Ginsert, Camargue (lidwoorden zijn zo overrated!). Bedankt om lief te zijn, toen. Mijn lief. En vooral: bedankt voor Lagwagon.

P.S.: Uw vrouw is blond; dus ge beseft toch dat de kans op rosse kinderen even groot is 😉 ?

P.S.2: Ge moet me nog 500 Bfr. 🙂 Maar dat is voor de naft van toen!

Grote Liefde, part 2.

Op de één of andere manier heb ik ook hier een ezelsbruggetje voor om de datum van onze Liefde te vieren. (Ik moest het maar eens vergeten.) Een Boeing 747. Op zaterdag 7 april 2007 viel ik als een blok voor hem, en tegelijkertijd vloog ik zo hoog. Twee extremen sluiten elkaar niet uit – het was tekenend voor onze relatie. Ik weet nog wat ik droeg, die dag (gelukkig was er van Jani toen nog geen sprake, t.i.). Het was na die eerste kus, tijdens de film Music & Lyric,s dat mijn hoofd durfde toegeven aan wat mijn hart al lang wist. “‘Pop’ did my heart” (vette schijf, overigens. Zeer eighties! #hartjes). Toen ik zijn modus operandi nadien hoorde hadden we die kus beter uitgesteld (lees: hij wou me meenemen naar Hofstade Plage voor een wandeling –- hashtag Romantisch.)

G. is de man die letterlijk in mijn lijf gebrand staat. Een domme blonde actie van mijn kant toen mijn rechterbeen besloot de hete uitlaat van zijn moto te aaien. Zoals ik mijn vel verloor toen het bleef plakken aan uit de uitlaat, zo verloor ik ook mijn hart toen ik aan hem bleef plakken. Naast hem, zal ik ook het mistroostige interieur en de geur van het brandwondencentrum in Neder-over-Heembeek nooit vergeten – dit ter zijde.

Hij was de man die me een plastieken roos gaf en beloofde pas te stoppen met van me te houden als de roos verwelkt was (ja, ge moogt jaloers zijn!). Hij was de man die zijn auto plots langs de weg parkeerde en naar een wei liep om er een bloem te plukken (volgens mij een klaproos) om zijn liefde te tonen. Hij was de man met wie ik los ging op ‘Louise’ van Clouseau – en wiens moto we dan ook met die naam gedoopt hebben. Tof spel, die chopper. Hij was de man die me niet durfde te kussen, eerder dat jaar, in maart, tijdens Nothing Compares 2 U van ons aller-labiele Sinead, terwijl de spanning er wel hing (zelfs nu nog krijg ik rillingen bij het terugdenken aan…).

Hij was de man die in zijn pen kroop om zijn liefde te beschrijven, maar niet verder kwam dan hoe krap het was in de pen waar hij was ingekropen (geef toe: hilarisch!). De man die me uitnodigde voor Valentijn door een kaartje met Cupido te sturen die zichzelf te pletter vloog. De man die zo hard kon lachen met de domste moppen – en daarmee perfect op mijn niveau zat (‘Het is wit en staat in de hoek’ blijft één van mijn favorieten).

Hij was de man die me leerde dat ‘deu de deu deu’ effectief iets betekende. (Vertaling op vraag verkrijgbaar.)

Een jaar later stopte het sprookje, en reed hij weg, op zijn moto, voor altijd een afdruk nalatend in mijn hart (en mijn rechterbeen.) Herinneringen aan G. zijn herinneringen aan een man van wie ik meer hield dan dat ik van mezelf hield. Een man die me terug deed geloven in Liefde.Een stoere kerel (inclusief moto en leren frakske) met een heel klein hartje. #keiaantrekkelijk

G., merci kadei! Voor alles. Bedankt dat je me nu, met vertraging weliswaar 😉 (maar dat zijn we in Limburg -zonder lidwoord- gewend), de erkenning geeft waar ik zo naar verlangd heb. Ge waart een top lief! En net dat maakte het afscheid zo zwaar. Keep on rocking and take care – je weet wel waarom. Elk jaar, op 7 april, draai ik My Chemical Romace. Als hommage aan jou en aan ons.

Nummer 3: P. .

De man die al lang in mijn leven was, en de man die altijd in mijn leven zal blijven – hopelijk.

20 augustus 2010, de wei van Kiewit. Eerst een ‘kuske om te oefenen, niet voor echt’ (#zattetijden), tijdens ‘Chasing Cars’ van Snow Patrol wel voor echt.

P. was de rust in mijn chaos. De pleister op de wondes die eerdere liefdes geslagen had. Hij was de noodrem aan mijn rollercoaster, stabiel, warm, lief. P. was de veilige thuishaven na een reis op een woeste zee. Hij was de rots in de branding. In zijn armen wist ik: ik ben veilig.

P. maakte mijn grote droom mee waar:toen we op 11 juni 2011 uitstapten op JFK om een hap te nemen van the Big Apple. Hij gaf mij de zonvakantie waar ik zo nood aan had (sorry voor uw verbrande voeten op dag 1 waardoor uw vakantie naar de knoppen was). Hij deed me weer leven. Hij maakte CD’kes voor mij. Zijn huis is – zelfs nu nog – letterlijk een gevoel van thuiskomen, daar bij het retro behangpapier, het grote ronde bed, de foute kamer en de prachtige, zelfgefabriceerde meubels.

Herinneringen aan P., zijn herinneringen aan avonden in bed met een pas ingeslagen voorraad nougat en chips uit de Colruyt. Het zijn herinneringen aan ons onvermogen om niet binnen te roken. Het zijn herinneringen aan lachen met Philippe Geubels (R.I.P. aan het overleden katje bij terugkomst – we hadden u echt niet gezien!), aan verbaasd zijn van Gili (29/10, de dag dat we de salon besteld hadden). Het zijn herinneringen aan samen bleiten bij ‘Komt een vrouw bij de dokter’ en onze eigen versie maken van de soundtrack van de film. Het is in duo een musical-lied zingen van Dans Der Vampieren. Het is playbacken op hits van MENT-tv.

2,5 jaar later was ons liedje uitgezongen, maar nooit was hij echt uit mijn leven voor lange tijd.

P. was de man die van me hield zoals ik was. Onvoorwaardelijk. En die er vandaag nog steeds staat als ik hem nodig heb.

Elke 20ste augustus luister ik naar ‘Chasing Cars’ en ‘Love Over Healing’. De Final Countdown zal voor altijd gerelateerd zijn aan die week, eind december 1999, waar we elkaar voor het eerst zagen, en waar ge toen al de grote teddybeer waart.

Lieve P., merci! Voor de liefde die ge gaf, en voor wie ge nu nog zijt voor mij. Bedankt om van me te houden als ik dat even niet meer deed. Bedankt om er nog steeds te zijn, en te blijven – ondanks alles. En sorry – je weet wel waarvoor.

Nummer 4. Mijn laatste grote liefde.

Misschien ook wel de grootste – gezien de leeftijd, de keuzes die ik gemaakt heb en ons leven samen.

N. kwam in mijn leven op het moment dat ik besloot het klooster te gaan betreden. Ik zat in een ‘alle mannen zijn klootzakken’- fase, en de mannen die geen klootzak waren, die waren of homo, of bezet, of daar voelde ik niks voor. God zou me soelaas brengen, en met een paternoster kunt ge ook toffe dingen doen. Of zoiets.

We schrijven 15 maart 2014. Ik zou in mijn groen kleed van bijna €100 (slightly overdressed, zo bleek later – en ook: bedankt vader Johny om me te assisteren bij het dichtdoen van de jurk) met Grote Liefde nummer 2 als vrienden naar een feest gaan, nietsvermoedend dat nummer 4 niet enkel mijn jas zou aanpakken, maar ook mijn hart in ene keer meenam. Liefde op het eerste gezicht. Voor het eerst in mijn leven. Het bestond f**king echt! (Volgens mij was Einstein net zo opgetogen en verbaasd tegelijk toen hij zijn E=MC² ontdekte.)

Daar stond hij. De meest knappe en innemende man die ik ooit gezien had (sorry, nummer 1, 2 en 3 🙂 ). Een jongeman die me joviaal een glaasje cava aanbood. De eerste van (te?) vele.

20 maart zal voor altijd gerelateerd zijn aan een begrafenisondernemer die met een fles champagne aan mijn deur stond – helemaal van Leuven naar Lanaken. Ik voelde me zo vereerd, alsof hij de halve wereld had afgereisd voor mij. Soms heeft liefde geen woorden nodig, en de woorden die er vielen, waren de juiste. Het was in kannen en kruiken – of in kisten en urnes, zo u wenst. 20 maart zal ook de dag zijn van de kus op de Brooklyn Bridge en verdwalen in China Town in een heuse sneeuwbui in New York, een jaar later. En de dag dat we in een duf restaurant met grootkeuken zaten, nog een jaar later.

Herinneringen aan de ‘hebt ge mijn föhn gezien’ – ‘ja, hij ligt op uw tafel’, en toen ik ging kijken zag ik enkel mijn GSM (als in : ‘phone’) Ik denk lachend terug aan het broodje américaqin dat hij voor me bestelde, waarna men lustig een Amerikaanse hamburger ging bereiden. Kannibal is in regio Leuven kennelijk onbekend. Ik denk terug aan de 148 rode rozen op 20 september 2014, voor elke dag dat we samen waren. Aan de post-it met ‘als ik nu bij u ben voel ik me geantiputeerd (dat is Vlaams-Brabants voor ‘geamputeerd’). Aan de middagse belletjes waarin we altijd bespraken wat we wilden eten, en we een half uur discussieerden over wie nu het gerecht zou kiezen – om uiteindelijk af te leggen met ‘we zien wel straks’.

Ik denk aan het feit dat ik mijn ‘nat voer’-fobie heb overwonnen, na ettelijke braaksessies – die hij zo nodig wou filmen. Ik moet lachen bij de gedachte aan zijn imitatie van een vampier. Aan zijn flauwe, droge humor die soms meer weghad van pesten, en dat hij steevast beantwoorde met ‘Yeah, but you love me’. Ik denk met schaamrood op de wangen terug aan toen ik hem subriel vroeg of hij wist waar het maandverband stond, en hij ongegeneerd ‘meneer, waar staat hier het maandverband’ met luidere stem dan normaal aan de winkelbediende vroeg.

De herinneringen geven een onbestemd gevoel.

N., het is bijna 20 maart. Ik ga maandag naar ‘Happy’ luisteren, je weet wel – klaplong – , als eerbetoon aan onze liefde, die kort was, maar krachtig – zoals een klaplong mogelijks voelt… (irritant wel, zo’n vrolijk lied op een dag die helemaal niet vrolijk voelt :-)) Bedankt voor de liefde (een eer om naast u te mogen lopen), bedankt voor zalige momenten vol humor, bedankt dat ik op uw WC parallello-pipi-doen mocht. Bedankt… voor zoveel.

Scheiden doet lijden. En schrijven.

Mensen met een chaotisch brein: wees gerust! Dit keer ligt het niet aan één of ander minder functionerend hersengebied, maar aan mezelf. De tekst is ongestructureerd. Chaotisch. Bestaande uit 2 stukken, die ik niet eerder durfde te publiceren. Omdat ik bang was. Bang om als labiel beschouwd te worden waarmee ik mijn beroepsgeloofwaardigheid in het gedrang zou brengen (FYI: ik functioneer best naar behoren, hoor 😉 ). Bang om nog meer afgewezen te worden.
Ik spreek nu, als Tamara. In al mijn kwetsbaarheid. In al mijn verwarring. In al mijn hatelijke liefde.

Dit gaat over het #yolo van de jaren ’90. Dit gaat over #ldvd.

“Accepteer van jezelf dat je rouwt op jouw manier”, schrijft ze.
Het is maandag 21 november 2016, 7u48 als ik deze woorden lees. Ik huil. Ik huil omdat ik afgelopen weekend geen blijf wist met al mijn verwarrende emoties. Omdat ik het niet kan accepteren, de manier waarop ik rouw. Maar vooral: omdat ik het niet kan accepteren dàt ik moet rouwen. Ik wil niet rouwen. Ik wil trouwen. Met hem. Gek, hoe amper één letter een wereld van verschil maakt.

Ik lees verder.

“Omarm de pijn”, schrijft ze.
Ik sta daar, met betraande ogen voor de spiegel. Een rood, bevlekt gezicht. Messy hair – dat fijn is op een zondagmiddag, maar net dat ietsje minder, vlak voor je moet gaan werken.
Ik sta daar, overgeleverd aan de pijn, het gemis, het verdriet, en op dat moment besef ik weer maar eens wat ik aan mijn cliënten vraag. “Omarm de pijn”. Het lijkt alsof ik een sadist ben. Mensen vragen om datgene wat hun zo gekwetst heeft dat ze (een stuk van) zichzelf kwijt geraakt zijn, toe te laten. “Voel je maar slecht, het komt je ten goede.” Het lijkt zo tegennatuurlijk. Dat is het niet, maar zo voelt het wél.
Ik sta daar, een gezicht getekend van verdriet, en voel me een oude vrouw. Geen jolige, 34-jarige hinde, maar een hoogbejaarde buffel. Log, zwaar, en met klitten in mijn haar (het rijmpje krijgt ge er gratis bij). “Omarm de pijn”, zeg ik hardop tegen mezelf in de spiegel. Mijn maag krimpt ineen. Tranen wellen voor de zoveelste keer op. Ik tril. Mijn lijf protesteert. Ik wil dit niet voelen.
En toch moet het. Ik moet door de rauwe pijn van het gemis. Fantoompijn, zo voelt het. Het is alsof iets geamputeerd is, dat nooit meer terugkomt, maar wat je wel nog voelt. Het is aanvaarden dat je met (of beter gezegd: zonder) een lichaamsdeel verder moet.

“Wees boos”, schrijft ze. “Gun jezelf om te kijken naar wat niet positief was”.
Ik lig daar, op de zetel. Mijn kussens zijn mijn geïmproviseerde boksbal. Ik klop, en klop…terwijl ik dezelfde irritante kreten uitsla zoals Kim Clijsters bij elke (op)slag. Uitgeput stop ik. Het helpt geen hol(e).
‘Blokkeren’. Eén muisklik. Voor mezelf voelt het als het doorknippen van een navelstreng – als ik al zou weten hoe dat zou voelen. Ademnood. Spijt, na seconde één. Ik wil het ongedaan maken. Ik ben hem kwijt, voorgoed. Van mijn vriendinnen krijg ik per sms en in live- versie hele lofgezangen, en zelfs een vreugdedansje. Zij zijn boos. Zij spreken hardop uit wat ik in stilte verzwijg – omdat ik hem niet kwijt wil. Ze doen verwoede pogingen om tot me door te dringen. Ze smeken me om boos te zijn op hem, woedend! In gedachten smeek ook ik…hém, om ons niet op te geven – maar dat verzwijg ik, in diezelfde bovenstaande stilte – . Sommigen willen me letterlijk door elkaar schudden, voel ik. Maar hun hand haalt enkel uit naar mijn schouder, waar ze hem te rusten leggen, en zeggen: “wees boos, het mag”.
Ik lig daar, op de zetel. De letters in de sms’jes vertroebelen door het beeld van mezelf in zijn armen. En ik huil. Uit boosheid deze keer. Omdat het beeld van zonet op mijn netvlies net zo nep bleek te zijn als het haar van Helmut Lotti. Ik huil omdat ik boos ben op mezelf. Omdat ik mijn gevoel niet kon vertrouwen. Omdat ik hield van iemand die hij niet was. Een fantoom. Boos zijn is in dit geval ook ‘fantoompijn’. Ik klop. En kreun (hopelijk niet zo hard als de bovenbuurvrouw tijdens de seks). En klop. Het helpt nog steeds geen hol. Ik sta dan maar op, en grijp naar twee mannen die me nooit in de steek zullen laten: Ben & Jerry. Alsof ik bij elke hap de spanning voel afnemen. Mijn zoete zonde. Dit is een boost van ‘vrolijke stofjes’ – en helaas ook een boost van calorieën, maar dat leidt ons te ver van de kwestie.

“Laat je tranen maar toe”, hoor ik mezelf later op de dag tegen de cliënte zeggen. Ze kijkt me aan. Ze wilt niet. Ze durft niet. Op dat moment moet ik de behoefte onderdrukken om ‘I feel you’ te zeggen. Er zijn professionelere interventies, uiteraard. “Wat houdt je tegen om boos te zijn?”, vraag ik aan een ander. “Er is niks mis mee.”
Een paar uur later kan ik perfect, vanuit mijn ‘veilige, professionele stoel’, het allerbeste van mezelf geven. Ik kan het allerbeste uit hun halen, want het zijn mensen met capaciteiten die vaak de kennis wel in zich dragen. Ik bevestig positief hun inzicht dat vluchten in alcohol, drugs, kopen, porno, eten,… niks oplost. Integendeel.
Ik denk aan B&J die in de vriezer op me zitten te wachten voor vanavond. Ik voel me schijnheilig.

“Kick some ass”, schreef ze. Ik herlees de laatste woorden van de mail en ga naar de badkamer.
“Laat je tranen en je boosheid maar toe, omarm je pijn”, zeg ik tegen mezelf in de spiegel. En ik huil. Mijn gezicht is rood bevlekt. Mijn haren zijn messy. En het is OK, ook al voelt het niet zo.

Een dag na bovenstaand schrijfsel deblokkeer ik hem, omdat ikzelf geblokkeerd raakte bij de gedachte hem nooit meer in mijn leven te hebben. Hij belt me een dag later boos op. Na het wegebben van de eerste, intense pijn die mijn vingers verlamde, mijn woorden ontnam en aan zijn eis van ‘monddood wezen’ voldeed, vond ik weer moed. Om te schrijven. Om het niet binnen te houden en weg te drukken.
Vandaag, 29 november, 11u08, schrijf ik dit:

Hij zal dit nooit lezen, mijn ex. Hij heeft me gewist. Letterlijk. Onze foto’s samen zullen vervagen tot herinneringen die hij misschien zelfs niet eens zal koesteren. Het doet verdomd veel pijn. Meer dan twee jaar lang was hij mijn leven. Dat leven is dood. Letterlijk. Het stierf een gruwelijke dood, na een slepende ziekte. Letterlijk.

Hij zal dat jobsgewijs wel vlotjes kunnen hanteren, dat ‘verlies’. Emotieloos. De verplichte “dank je voor alles wat je voor me was”-speech, mogelijks op dezelfde toon als “voor mij 10 schellekes saucis”. Het is nodig om zijn job te kunnen blijven uitvoeren. Hij is géén koele kikker (en na het kussen bleek hij helaas ook niet mijn prins te zijn ;-)).

Ik zou dat jobsgewijs ook moeten kunnen hanteren, hetgeen prima gaat van op een afstand (vergis u niet: mijn empathisch vermogen reikt wel wat verder dan het gevoel dat ik heb als ik 200 gram jonge Hollandse kaas bestel). Maar ik kan het niet. Niet nu. Niet nadat ik mijn Grote Liefde verloor. De Hugo van mijn Nicole. De Garry van Hagger. De kers op mijn taart. Ik ga door de rauwe rouw. Ik verdwaal in het lege, onbestemde gevoel dat mijn leven momenteel heeft. Ik zoek naar een betekenisvolle ‘zin’. Maar momenteel zijn er alleen vraagwoorden zonder bevredigend antwoord. Waarom? Wat? Hoe?

Ik moet aanvaarden dat de dood onomkeerbaar is. Hij besliste om de machines stop te zetten, en samen bliezen we onze laatste adem uit – terwijl ik nog al mijn zuurstof wou geven, in Anderlecht-paarse flessen omdat hij dat graag zag. Rationeel weet ik dat het goed is dat de strijd gestreden is. Het was een ongelijke strijd. Ik heb nu rust in mijn hoofd. Ik moet niet meer vechten tegen de bier-kaai. Maar mijn lijf ontploft van de onrust. Alsof ik moet afkicken van de morfine die hij voor mij was.
Het was geen sereen einde. Het was geen afscheid waarin we elkaars hand vasthielden en tegen elkaar fluisterden dat zelfs de dood ons niet kon scheiden. Het was scheiden, vóór de dood zijn intrede deed. Hij is boos omdat ik uit bezorgdheid handelde. Hij is geïrriteerd omdat ik nog één laatste medicijn wou uitproberen om hem te helpen. Het was fout, en ik voel me schuldig. Schuldig omdat ik zonder informed consent handelde. Omdat ik het beroepsgeheim van mijn ‘liefdeswerk’ geschonden heb.
Naast de rouw moet ik nu ook leven met het allesverterende schuldgevoel, en hij zal me niet meer vergeven, want ik ben ‘gewist’. Ons bidprentje ligt bij het oud papier. Zijn ‘allesje’ is gedegradeerd tot zijn ‘niksje’.

Hij zal dit nooit lezen, mijn ex. Gelukkig. Hij zou me gewoontegewijs weer ‘drama-queen’ noemen. Hij zal nooit beseffen dat ik het deed uit mijn liefde voor hem. En mocht hij het beseffen – hij zou het nooit toegeven (hij was nog koppiger dan ikzelf – EN IK BEN EEN SCHORPIOEN !).

Hij zal dit nooit lezen, mijn ex. Maar ik wil hem dit wel zeggen, zodat ik verder kan met leven, ook al voel ik me door het bruuske afscheid van hem dood vanbinnen.

Liefste,
sorry.

Waarom naar een psycholoog gaan nog steeds taboe is. Volgens mij.

Dit, mensen. Dit ! #hartjes voor Hanne!

hannegoesblog

Het is zo dat mensen, elk van ons, streven naar gelukkig zijn. Dat moet ik niemand wijsmaken. Maar soms komen er zaken op ons pad, meestal onverwacht, waar we ongelukkig van worden. Het kan zich beginnen zaaien tot heuse piekermomenten of het kunnen zelfs problemen worden. Daarom gaan mensen naar een psycholoog, therapeut of psychiater. Maar da’s niet voor iedereen weggelegd. ’t Kan zijn dat de stap om een afspraak te maken gewoonweg te groot is of dat je bij jezelf denkt “Ik los mijn problemen zelf wel op!”. Maar waarom juist ligt die drempel zo hoog? Waarom gaan mensen niet zo makkelijk met iemand gaan praten? Volgens mij schamen mensen zich voor het feit dat ze hulp zoeken. Maar eerlijk, daar hoeft niemand zich voor te schamen. Wij zij ook allemaal maar wezens met gevoelens, hè. Het kan al eens gebeuren dat je niet uit je eigen gedachten geraakt…

View original post 569 woorden meer

Nieuwe testament volgens Tamara (Tam,15-16; 33-34)

Hier zit ik dan, iets minder dan twee weken voor mijn 34ste verjaardag. Geen idee waar ik moet beginnen met schrijven, meer nog: wàt ik moet schrijven. Maar tradities zijn er om in ere te houden, dus ik schrijf. Over het jaar waarin ik 33 jaar was. Over het jaar waarin ik de leeftijd had waarop Jezus zijn kruisweg deed en achteraf stierf, maar verrees. Over het jaar waarin ik mijn kruisweg deed, het gevoel had gestorven te zijn, maar nu bezig ben met verrijzen.

Ik wil er geen drama van maken – liever een tragikomedie. Over lachen met de 12 magere maanden. Over gepest worden met de tien plagen van Egypte – versie 2.0. Over Barmhartige Tamar-itanen. Over wijn willen veranderen in water (*dit is geen typo*). Over het verorberen van vele vissen en broden – ook versie 2.0 (koeken en chips), omdat (Ta)Maria een emo-eter is. Over de dorstigen niet te willen laven.

Hier zit ik dan, in mijn stal van Betlehem – mijn studio van Leuven. Nadenkend over afgelopen jaar voelt ‘os’ blondje zich soms een ezel. Omdat ik me letterlijk twee keer aan dezelfde steen heb gestoten. Maar ezels blijken soms ook intelligente dieren te zijn. Ik plaats me – ten behoeve van het zelfbehoud van mijn ego- in deze laatste categorie.

Ik wil geen eerste steen werpen (want ‘wie zonder zonde is…’). Ik heb de laatste 365 dagen niet ‘gevast’. Ik heb gulzig ‘gehouden van mijn medemens’. Ik heb gepoogd om de blinde weer te doen zien, in die mate dat ik zo hard wou lopen dat ik er zelf lam van werd. Ik heb in een grot gezeten, zonder kracht om de steen ervoor weg te rollen. Ik heb me, vanuit wanhoop, in mijn haren gekrabt alsof ik vlooien had. Ik ben over kloven gesprongen alsof ik een sprinkhaan was. Ik heb de ‘schurft’ gezalfd. En ik had er ‘de pest’ aan. Want ‘plagen’ is liefde vragen. En liefde, die was er.

Helaas moet ik ‘je zus’ en andere familieleden teleurstellen, want soms is liefde gewoon niet genoeg. Soms zijn de tongen niet meer vurig. Soms is de braamstruik weggebrand.

Nu zit ik hier. Terugblikkend op het jaar dat ‘God’-geklaagd was. Maar toch ook weer niet. Ik zit hier, denkend aan de mooie momenten, gevuld met mijn naaste beminnen – zoals ik zelf bemind wou worden. Ik zit hier, genietend van herinneringen aan ‘goede (vrij)dagen’. Aan (zater)dagen, stil, omdat geen woorden nodig waren. Aan ‘witte’ (donder)dagen – omdat hij me ‘witte’ noemde. De (woens)dagen dat ik in as lag, koester ik ook. Niet dat ik nu ‘halleluja’ roep voor elke keer mijn Ark van Tamach dreigde te zinken, maar het leerde me mijn vrienden kennen. Mijn (meer dan) 12 apostelen. Bedankt, vrienden, voor jullie steun het afgelopen jaar. Bedankt ook, familie, om naast de weg te staan als ware ‘Maria Magdalena’s’ – inclusief (zak)doeken.

Het was een jaar van kiezen. Van verliezen.

Een jaar van eindes, en nieuwe beginnen.

2015-2016: Je hebt me de (ju)das niet omgedaan…

2016-2017: Kom in vrede – ik dank God.

Amen.

Ondanks alles.

Ik ben al vaak begonnen aan een blog. En ik heb gewist. En ik ben herbegonnen. En heb gewist. En herbegon. En wiste weer… En nu begin ik, en wis ik niet meer. De twijfel zat hem er vooral in dat ik bang was om te kwetsen, en op mijn beurt terug gekwetst te worden. Maar dan dacht ik: ik kan niet nog meer gekwetst worden dan ik al ben. Ik incasseer de ene slag na de andere. Met momenten voel ik me moediger dan Mohammed Ali, op andere momenten voelt het alsof ik, net zoals Pico van FC De Kampioenen, totaal de weg kwijt ben. Waar ik in de blogverhalen van medio 2014 schreef hoe gelukkig ik was, schrijf ik nu, najaar 2016, hoe ongelukkig ik me voel. Door dezelfde reden. De liefde (2014) en het wegvallen hiervan (2016).

Hij was mijn alles. Figuurlijk. Hij was mijn ‘muze’. De reden waarom ik in 2014 zoveel woorden vond om ‘geluk’ te omschrijven. Hij was mijn alles. Letterlijk. Ik liet alles achter wat me bekend was om het onbekende tegemoet te treden, omdat het onbekende me niet meer kon afschrikken omdat hij aan mijn zijde stond, en dat was ‘alles’ wat ik nodig had. Nu valt dit ‘alles’ weg, en zoek ik naar wie ik ook al weer ben. Voor maart 2014.

Ik wil hem in dit verhaal niet afvallen (ikzelf ben al genoeg afgevallen – haha- ). Ik wil gewoon mijn stuk kwijt. En ik heb behoefte om te delen. Om hier niet alleen mee te blijven zitten. Ik heb me genoeg ‘alleen’ gevoeld. Eenzaam zelfs. Letterlijk en figuurlijk. Op deze 20m² waar ik me totaal niet thuis voel. Waar ik genoodzaakt woon, omdat de praktische kant dit vraagt en ik de energie niet hem om ook alles (opleiding, (vrijwilligers)werk) nog te regelen vanuit Limburg.

De vraag in hoeverre ik ga, wil en kàn delen, bepaal ik zelf. Maar iets in mijn hoofd zegt, ondanks het feit dat ik het recht heb om mijn héle verhaal te doen, dat ik toch terughoudend moet zijn. Of beter gezegd: wil zijn. Ik móet niks. Ik heb het recht om dingen te zeggen zoals ik ze beleef. Maar ik wìl terughoudend zijn. Omdat ik hem niet kwijt wil, op de een of andere manier. Ondanks alles.

Hij heeft me verliefdheid leren kennen, en voelen. Echte verliefdheid. Het soort van het ‘When I’m with you, I don’t only feel butterflies, but I feel the whole zoo.’ Het was zalig dat een knappe, lieve man met humor voor mij viel. Ik, een drie jaar oudere vrouw (maar tot dat ik 35 jaar ben moogt ge ‘meisje’ zeggen).

Voor mij bleef dat tot op de laatste dag: het gevoel van verwondering dat ik mocht wakker worden naast zo’n lekker dier als hem (als ik wat ongenuanceerd ben: blame it on the gin tonic uit blikske van de Colruyt, dat na 2 stuks al inslaat vanwege fysiek ziek zijn en chronische slapeloosheid).

Hij heeft me geleerd hoe het is om écht onvoorwaardelijk van iemand te houden. Effectief: zonder voorwaarden. “With all his curves, all his edges, all his perfect imperfections”. Want zo voelde dat voor mij: hij was perfect, in al zijn imperfectie. En dàt was voor mij een teken dat dit ‘Liefde’ was. Met hoofdletter ‘L’. En hoe pijnlijk, des te pijnlijker, dit op dit moment ook voelt, zo dankbaar ben ik ook dat ik dit mócht voelen, in deze mate. En ik hoop dat ik dat ooit nog opnieuw dúrf voelen, in deze mate.

Tegelijkertijd ben ik ook boos. De quote “the most hurtfull thing about being lied to, is that you weren’t worth the truth”, dekt de lading. Ik heb daar weinig aan toe te voegen. Ik ga het hele verhaal ook niet uit de doeken doen; mensen waarvan ik wil dat ze het weten, die weten het, en anders is het aan hem om zijn verhaal te doen. Omdat ik niet wil dat hij denkt dat ik hem zwart maak. Omdat ik hem niet kwijt wil, op de een of andere manier. Ondanks alles.

Ik ben boos omdat ik hem zo vaak zei (en hier is weer een quote:) “it’s better to hurt me with the truth, than to comfort me with a lie” – NEEN! Ik heb geen aandelen in Pinterest en dergelijke ;-)) – , maar dat hij toch zei dat hij me graag zag. Hij zal ongetwijfeld zijn redenen gehad hebben – al dan niet rationeel (‘ik ga nooit meer iemand tegen komen die zoveel voor mij doet’ (volgens mij heeft ie gelijk ;-))- om bij me te blijven , of om me aan het lijntje te houden, maar dat praat het niet goed.

Wat pijn doet is dat het beeld dat ik van hem had, uiteindelijk niet bleek te kloppen. Wat pijn doet is dat ik mezelf gaf, in die mate dat ik mezelf verloor. Nu kan ik dat zeggen, maar tijdens die 2 jaar voelde dat zo niet. Toen was er voor mij geen ‘Tamara’. Toen was het ‘Tamara en hij’ (de ezel voorop – letterlijk, zo blijkt achteraf). Ik heb geen spijt van alles wat ik voor hem gedaan heb, want dat was uit liefde. Uit onvoorwaardelijke liefde. Maar ik heb, achteraf gezien, spijt dat ik niet meer voor mezelf gedaan heb. Dat mijn liefde toch niet iets meer voorwaardelijker was…ook al druist dat in tegen àl mijn principes.            Maar dat is achteraf. Uiteraard.

Helaas, net zoals ik hem niet kan dwingen om mij graag te zien (hoe onbegrijpelijk ook – gezien het topwijf dat ik ben – ), kan ik mezelf ook niet dwingen om hem niet meer graag te zien. En dàt is de strijd waar ik nu in zit. Ik mis hem. Punt. Ik mis hem enorm! Uitroepteken. Ik wil hem naast mij in de zetel. Ondanks alles. Ik hou van die man. Ondanks alles. Ondanks alles wat hij mij heeft aangedaan. Maar hij houdt niet meer van mij. Ondanks alles. Ondanks alles wat ik voor hém gedaan heb. En dat doet pijn. Had ik meer kunnen doen, zodat hij wél nog van mij zou houden? Neen. Ik kon niet meer doen dan ik al gedaan heb, of had. Daar ben ik me van bewust. Maar wat hadden die anderen dat ik niet had? De onzekerheid over mezelf neemt gigantische proporties aan. ‘Als zelfs alles wat ik had en gaf niet genoeg was, wat dan…?’

Ik besef dat dit ook veel over mij zegt. Over wat dit over hem zegt ga ik me – uit liefde en respect- niet uitspreken, en dat kan ik voor hem ook niet invullen.

Wat er gebeurd is maakt me broos. En bang. Bang voor de toekomst. Bang om liefde te durven toelaten. Bang om mensen – met hun kwetsbaarheden, die iedereen heeft – te durven omarmen. Wat er gebeurd is maakt me verbitterd. Omdat ik zoveel respect (en mezelf) gaf en respectloos behandeld werd (en mezelf verloor). Wat gebeurd is maakt me droevig, omdat ik geloofde in onze liefde en omdat ik hem (op termijn) zag als de papa van mijn kindjes. Maar ook:

Wat gebeurd is maakt me bewust. En dat is mogelijks de grootste leerschool dat ik voor mezelf kan hebben… Het maakt me bewust van hoe graag ik de ander zie in een relatie, ten koste van mezelf. En dat is een leerpunt. Rationeel gezien. Emotioneel wil ik niets liever dan hem bij mij. Want hij is voor mij ‘Liefde’. Met hoofdletter ‘L’. Ondanks alles.

En dan is er een mooie theorie die zegt dat ‘mannen jagers zijn’, en dat je jezelf niet als prooi moet opstellen. Dat mannen moeten kunnen jagen, evolutionair gezien. Dat je niet mag smeken – ‘want daar knappen ze op af’. Maar dat is te laat. Ik ben een prooi. Een prooi die vastzit in zijn kluwen, maar die bevrijd moet worden (‘willen’ is een ander paar mouwen) – voor zichzelf.

Ik sluit deze blog af met te zeggen dat ik hem vanaf ogenblik één, in het groene jurkje, graag zag, en dat ik dat altijd zal blijven doen. Ondanks alles. Dat ik hem het beste gun (op dit moment is dat in de vorm van mezelf). Ondanks alles. En dat ik hoop dat ik mezelf ooit zo graag ga zien dat ik weet dat ik respect verdien, en dankbaarheid voor alles wat ik doe. Ondanks alles.

Van burn-out tot bore-out in 6 maanden: de succes-formule

Het is weer de tijd van het jaar. Het jaaroverzicht van mijn 32ste levensjaar. Iets minder boeiend en spectaculair dan de jaaroverzichten op VTM en VRT, maar soit. Wegens gebrek aan inspiratie blijft bovenstaande mijn intro. Welkom, fijn dat u mij leest. Dat ook.

Afgelopen jaar kan ruwweg verdeeld worden in 2 grote delen: de pre- en de peri-dop periode. Om mijn 2 universitaire diploma’s niet geheel oneer aan te doen, stoef ik maar even met het feit dat ik Latijnse tussenvoegsels ken. Kort applaus (*klap*).

De pre-dop- periode situeerde zich tussen 20 november 2015 tot 1 mei 2016. Het was geen evidente tijd. Aangezien tegenwoordig het taboe rond psychische problemen stilaan opgeheven wordt, kan ik nu (de fierheid laat ik even achterwege) zeggen dat ik tot de categorie burn-out behoorde.

‘Ik ben Tamara, en ik heb een burn-out.’ Wederom kort applaus (*klap*). Het was een tijd van slapeloze nachten, moordende onzekerheidsgevoelens, faalangst. Het was van 8u30 tot 17u over-leven, om om 18u30, na ‘Home and Away’ (hoogtepunt van de dag), uitgeput in slaap te vallen. Ik heb veel geleerd over mezelf, dat wel. Onder andere dat ik volgens een handvol collega’s echt een toffe en een grappige ben, maar ook dat ik meer gebaat ben bij de zachte aanpak en een constructieve manier van feedback. (Het kopje ‘persoonlijke info’ op mijn C.V. is aangepast.)

De peri-dop-periode begon daarna, en strekt zich uit tot heden. Aanvankelijk kreeg ik de dagen nog enigszins gevuld, getuige mijn opgeruimde boeken-, badkamer en keukenkasten. Ik heb ontdekt dat ik duidelijk geen poetsdwang heb (hoera, 1 diagnose minder!), want het is bij die paar dagen poetswerk gebleven. De rest van de dagen vulde ik met fietsen, lui-wijven-sport en het inhalen van TV-series die ik, gezien mijn bedtijd na ‘TikTak’, nooit eerder kon zien. En ondertussen solliciteerde ik. Gericht en spontaan. Ging ik 3x op gesprek, werd ik 3 x afgewezen. Bleef ik schrijven. Kreeg ik geen antwoord. Of las ik dat andere kandidaten beter in het profiel pasten. Maar ze wensten me wel succes met het vinden van een gepaste job. Heerlijk persoonlijk toch, de standaard afwijs-brieven. Elke afwijzing werd steeds moeilijker te verteren. Cynisch zei ik tegen mezelf ‘daar zit ge dan eh, met uw 3 diploma’s, en ze nemen u zelfs in den Aldi niet aan.’ Mijn dagen werden doelloos. De uitkering werd steeds minder. Vrienden hun zomervakantie eindigde. En nu zit ik hier. Al 6 maanden.

‘Ik ben Tamara en ik heb een bore-out’ (*klap*). Ik heb geen bevredigende activiteiten waar ik energie kan uithalen. Net als bij de burn-out is ook nu ‘Home And Away’ het hoogtepunt van mijn dag, een afspraak bij de kine is een reden om me uit mijn pyjama te hijsen. Het verschil is dat ik nu niet slaap van uitputting, maar als tijdverdrijf (want alle TV-series – inclusief ‘Dokters’, ‘Verboden Liefde’ en ‘Say Yes To The Dress’ – zijn gekeken). Ik begin me voor het eerst in mijn leven zorgen te maken over het feit of ik rekeningen betaald krijg. Ik heb me geïnformeerd over vrijwilligerswerk, maar daar weet ik pas binnen 2 weken iets van. (En ja, de angst om daar zelfs afgewezen te worden is aanwezig). Maar het vrijwilligerswerk betaalt mijn lening niet af, en zorgt niet voor chocolade in de frigo, ijs in de diepvries en chips in de kast (inderdaad, ik heb dan ook nog eens het nadeel om een emo-eter te zijn – #fml). Ik voel me zielig. En dik. Want de leegte in mijn dag vul ik letterlijk met eten. En ik heb geen geld om nieuwe kleren van een maatje meer te kopen. (Ik herhaal: #fml)

Gelukkig zijn er de documentaires op Vitaya van mensen die het erger hebben dan mij. En gelukkig heb ik het lief, mijn ouders en zus, mijn vrienden, en een paar schitterende ex-collega’s die me met sms’jes laten weten dat ze aan me denken, vragen hoe het met me gaat, en me gewoon ‘liefs’ sturen. Het ‘liefs’ wat ik op dit moment minder heb voor mezelf, omdat ik met nutteloos voel, omdat mijn dagen doelloos zijn.

Over een kleine maand ben ik 33 jaar… Het jaar waarin Jezus Stierf, en verrees. Hopelijk beschik ik over dezelfde goddelijke capaciteiten om te verrijzen tijdens de post-dop-periode.

PS: mijn jaar kende ook leuke momenten hoor! En verder gaat het goed met me! 😉